Er is meer nodig dan
de goede toon om integratie succesvol te maken.
Dat was een mooi
antwoord in het stuk in de Volkskrant van Donderdag 11 December, waarin jullie
ingaan op mijn bezwaren tegen jullie boek, die ook in mijn bijdrage aan de
expertdiscussie over integratie van de NRC zijn terug te vinden.
Maar zoals altijd
heb ik toch enkele kanttekeningen bij jullie stuk.
- Kenmerken van bestemmingslanden
kunnen inderdaad van invloed zijn op de succeskansen van immigranten in
een land. Ik noemde al in mijn stuk in de Volkskrant het beroepsonderwijs
in Duitsland en je noemt zelf terecht de gesloten arbeidsmarkt in veel
continentale Europese landen. Dat laatste is door vele al aangetoond
(Kogan, Heath, Fleischmann, mijzelf): een lagere ontslag bescherming geeft
migranten meer kans op de arbeidsmarkt en niet alleen bij het betreden
daarvan maar ook bij het klimmen op de beroepenladder. Maar het verlagen
van de ontslagbescherming en het openbreken van de corporatistische
arbeidsmarkt (niet alleen van de Nederlandse arbeidsmarkt, maar ook van de
Scandinavische) wordt door de meeste politici en beleidsmakers niet gezien
als een middel om migranten meer kansen te geven. Ik heb daarvoor op grond
van het onderzoek wel eens voor gepleit in de Volkskrant (“Soepel ontslagrecht
helpt migranten” de Volkskrant,
7 September 2007). Ik kreeg toen de volle wind van voren van Wilma Wind (de
cao coördinator van de FNV) in de Volkskrant van 14 September.
Kortom, kenmerken van bestemmingslanden kunnen een verschil maken, maar
vaak gaat het dan om kenmerken die niet zijn bedoeld of opgezet om
integratie van immigranten te bevorderen. Sommige regels en wetten kunnen
inderdaad al dan niet bevorderlijk zijn, maar dat hoeven niet
noodzakelijkerwijs de regels te zijn die daarvoor bedoeld waren (zoals de
mogelijkheid ritueel te slachten voor Joden, die nu vooral door Moslims
gebruikt worden).
- Of vroege onderwijsselectie
immigranten leerlingen extra benadeelt, betwijfel ik op grond van mijn
analyse van de PISA 2006 data, die ik 15 Januari bij de vakgroep
sociologie UvA hoop te presenteren. Dat extra nadeel van vroege selectie
vindt men (ik ook) wel bij autochtonen uit de laagste sociale klassen,
maar ik vind dat niet in mijn gefocuste analyse van immigranten. Het
verschil met de uitkomsten van Crul kan zijn dat zijn internationale
vergelijking zich beperkt tot Turken, terwijl ik een groot aantal
migrantengroepen met de PISA data analyseer. Ook is het mogelijk dat Crul
niet voldoende controleert voor
andere kenmerken van het onderwijsstelsel. Ik vind bijvoorbeeld wel dat
het % besteed aan onderwijs van het totale overheidsbudget wel een
positief significant effect heeft op de onderwijsprestaties van
immigranten (inderdaad een kenmerk waarop Nederland niet goed scoort).
Bovendien controleer ik ook voor kenmerken van het land van herkomst van
de migranten, en wij vinden dat de lengte van de leerplicht van het
herkomst land van belang is voor het onderwijssucces van migranten in het
land van bestemming. Door Crul’s beperking tot Turken en de ongelijke
verdeling van Turken over de EU-landen kan hij dit herkomst effect niet meenemen,
maar het kan zijn uitkomst vertekenen als de meeste Turken naar landen met
een vroege onderwijsselectie (Duitsland, Nederland) zijn gegaan. Maar dit
moet nog verder uitgezocht worden en ik denk dat Crul’s internationale
vergelijking daaraan zeker kan bijdragen. Mijn kritiek punt op jouw stuk is
hier evenwel dat immigranten (ook laaggeschoolde migranten) niet gelijk
gesteld kunnen worden met laaggeschoolde autochtonen, en dat je te makkelijk
verondersteld dat wat goed is voor de laatste ook goed is voor de eerste. Maar
je hebt gelijk met de stelling dat
sommige onderwijsregels en wetten al dan niet bevorderlijk kunnen
zijn. Echter door te weinig analyse van de immigranten afzonderlijk en te
weinig rekening houden met de kenmerken van het land van herkomst (mede
omdat OECD en de overheden van de EU dit soort analyses niet willen) weten
wij weinig welke onderwijsregels en wetten dat verschil uitmaken. Het OECD
rapport “Where immigrant students succeed. Pisa 2003” en het rapport van
de EU Commission “Migration & Mobility: challenges and opportunities
for EU education systems” (Green paper 2008) zijn voorbeelden van hoe het
niet moet.
- Wat heel duidelijk is dat naast individuele
sociaal-economische achterstanden van immigranten ook de macrokenmerken
van hun land van herkomst van belang zijn voor hun succes in het land van
bestemming. Zoals altijd zijn individuele kenmerken van immigranten
(inclusief ouderlijke beroepsstatus en opleiding) de belangrijkste voorspellers van dat
succes, maar ceteris paribus komen de macrokenmerken van het land van
herkomst op de tweede plaats als goede voorspellers van dat succes, en pas
daarna macrokenmerken van het land van bestemming. Hoe je ook je best doet
om het effect van het land van herkomst weg te verklaren met individuele
kenmerken, dat lukt niet. Dit belang van macrokenmerken van het land van
herkomst (naast én na het belang van individuele kenmerken, maar steeds
voor macrokenmerken van het land van bestemming) treedt op bij een breed
spectrum van succesindicatoren van immigranten. Er ligt dus een feitelijke
grondslag aan het maken van groepsonderscheiding naar herkomstland. Het
lijkt mij onjuist die in het beleid of het debat te negeren of te tabouiseren.
- Zonder twijfel worden immigranten op
de Nederlandse arbeidsmarkt gediscrimineerd: geregeld wordt gevonden in
empirisch onderzoek dat hun opbrengst van hun opleiding kleiner is dan die
van vergelijkbare autochtonen. Ik heb daar geregeld op gewezen: “Geef Ahmed een baan op niveau” de
Volkskrant (27 Augustus 2006). Of een lagere opbrengst
van onderwijs alleen maar op discriminatie wijst valt nog wel wat op af te
dingen (de ongelijke waarde van schijnbaar gelijke einddiplomas door de
inflatie van schoolexamencijfers bijvoorbeeld), maar het bestaan van discriminatie
(met name mannelijke migranten uit de Islam) blijft staan, ook in het empirisch
crossnationale onderzoek dat ik met Fleischmann in Sociologie heb
gepubliceerd. Maar ik betwijfel wel of het niveau van discriminatie lager was
in de jaren ‘80 of ‘90 in vergelijking met 2008, en dat is wat jullie
suggereren. Ik heb geen aanwijzingen gevonden dat de opbrengst van
onderwijs van migranten tegenwoordig lager ligt dan in de jaren ’80 en
’90. Wel is het mogelijk dat de arbeidsmarkt discriminatie nu meer
zichtbaar is, omdat er nu meer hooggeschoolde immigranten kinderen zijn
dan in de jaren ’80 en’ 90. Maar die grotere zichtbaarheid kan heel goed
komen door deze verschuiving in de randtotalen (stijging van het aandeel
hoger geschoolden migrantenkinderen) en die hogere zichtbaarheid hoeft
niet te komen door een verandering in de kans op discriminatie. Ik
betwijfel of Nederlanders (en Europeanen) in de jaren ’80 en’ 90 in feite minder discrimineerden.
Hoogstens spraken zij daar toen minder openlijk over, omdat ze wisten dat
ze dan onmiddellijk van racisme beschuldigd zouden worden. Ik voel mij
gesteund doordat de MIPEX anti-discrimantie index geen significant effect
heeft, zelfs niet als ik waargenomen groepsdiscriminatie als afhankelijke
variabele hanteer (Perceptions of In-group
Discrimination by First and Second Generation Immigrants from Different
Countries of Origin in EU Member-States. S. André, J. Dronkers & F. Fleischmann)
en Nederland te midden van de andere EU landen niet meer
dan gemiddeld scoort.
- Ik ontken niet dat een denigrerende wijze
van het spreken over andere etnische groepen en culturen de lucht
vergiftigt. Die mogelijkheid is reëel, maar het is de eerste taak van
sociologen dat empirisch aan te tonen, en jullie boek is naar mijn smaak
op dit punt te impressionistisch. Maar tegelijkertijd hebben sociologen
ook de taak reële etnische en culturele verschillen te analyseren, benoemen
en bespreekbaar te maken. In de jaren ’80 en ’90 is dat niet gebeurd maar
zijn deze verschillen genegeerd en getabouiseerd, en daarvan plukken wij
nog steeds de wrange vruchten. Een
mooi voorbeeld is de commotie rond de bevinding van Putnam over het
negatieve verband etnische wijkdiversiteit en vertrouwen in buren. Zolang
dit soort onderwerpen (zoals herkomst verschillen van immigranten) niet
open kunnen bespreken, wordt de lucht ook vergiftigd. Om mijn punt te illustreren
verwijs ik naar Obama die in zijn verkiezingscampagne openlijk durfde te
spreken over het slechte vaderschap van veel zwarten in de USA, niet
alleen in vergelijking met de blanken maar ook met de Aziaten en
Mexicanen. Pas als dat kan gebeuren, zonder van racisme beschuldigd te
worden, kan de lucht gezuiverd worden.
Als wij dus de lucht willen zuiveren, moet de denigrerende toon verdwijnen,
maar dat lukt alleen als tegelijkertijd problemen open besproken kunnen worden
zonder beschuldigingen van kwade trouw, zoals neonationalisme, etc.
Met vriendelijke
groet,
Jaap Dronkers