|
1
|
- Jaap Dronkers
- Hoogleraar internationale vergelijking van onderwijsprestaties en
ongelijkheid
- Homepage www.roa.unimaas.nl/cv/dronkers/dronkers.htm
|
|
2
|
- Technische kwaliteit
- Politieke kwaliteit
- Kwaliteit van school # kwaliteit
van opleiding # kwaliteit van
onderwijsstelsel.
- Technische kwaliteit # politieke kwaliteit
|
|
3
|
- Interne kwaliteit = het aandeel afgestudeerden van een bepaalde school,
opleiding of onderwijsstelsel dat het diploma haalt, bepaalde kennis en
vaardigheden bezit, etc.
- Externe kwaliteit = het aandeel afgestudeerden van een bepaalde school,
opleiding of onderwijsstelsel dat meer kansen heeft bij het vinden en
groeien in werk, bij het vinden en behouden van partner, gezondheid,
etc.
- Effectiviteit / toegevoegde waarde = interne of externe kwaliteit
waarbij rekening wordt gehouden met de instroomkenmerken van de
leerlingen
- Efficiëntie = interne of externe kwaliteit waarbij rekening wordt
gehouden met bestede financiële middelen.
- Tevredenheid ouders / leerlingen # kwaliteit.
|
|
4
|
- Normatieve kwaliteit = het aandeel afgestudeerden van een bepaalde
school, opleiding of onderwijsstelsel dat bepaalde gewenste waarden en
normen bezit.
- Emancipatie kwaliteit = de mate waarin een school, opleiding of
onderwijsstelsel bijdraagt aan verkleining van de verschillen in
onderwijssucces tussen kinderen uit een hoog en laag ouderlijk milieu.
- Integratie kwaliteit = de mate waarin een school, opleiding of
onderwijsstelsel bijdraagt aan verkleining van de verschillen in
onderwijssucces tussen kinderen van immigranten en inboorlingen.
- Top kwaliteit = de mate waarin een school, opleiding of onderwijsstelsel
bijdraagt aan verhoging van de kennis en vaardigheden van het best
presterende kwart van de leerlingen.
- Bodem kwaliteit = de mate waarin een school, opleiding of
onderwijsstelsel bijdraagt aan verhoging van de kennis en vaardigheden
van het slechtst presterende kwart van de leerlingen.
|
|
5
|
- Administratieve data = vooral interne technische kwaliteit,
effectiviteit & efficiëntie van scholen.
- Internationale vergelijkende data = interne technische kwaliteit,
efficiëntie en effectiviteit, en
politieke kwaliteit van scholen & onderwijsstelsels.
- Nationale longitudinale data = vooral externe technische kwaliteit en
effectiviteit, en politieke kwaliteit van scholen & opleidingen.
|
|
6
|
|
|
7
|
- Formele belemmeringen bij toegankelijkheid (Trouw-proces om de inspectie
cijfers).
- Niet beschikbaarheid van gegevens over leerlingen: bv het constant
blijven van CITO scores bij oplopend ouderlijk onderwijs.
- Gebrek systematiek: vergelijk kwaliteitskaarten van scholen uit de
opeenvolgende jaren.
- Politieke invloed: onderscheid in rendement tussen onder- en bovenbouw
door inspectie (overblijfsel van basisvorming).
- Geaggregeerde gegevens, geen individuele kenmerken.
|
|
8
|
- CITO data onbruikbaar, wegens geringe toegankelijkheid door derden &
gebrek aan achtergrondkenmerken
- Inspectie data zijn bruikbaar, maar zijn moeilijk toegankelijk, in de
tijd niet systematisch en fragmentarisch.
- Inspectierapporten moeten “teveel heren dienen” om bruikbaar te zijn.
|
|
9
|
- Ouders: “ruwe” slaag- & zittenblijf-percentages, gemiddeld
eindexamencijfer, ordeproblemen = indicator voor ouders.
- Scholen (docenten en directies): toegevoegde waarde, dwz slaag- &
zittenblijf-percentages, gemiddeld eindexamencijfer, ordeproblemen,
gecorrigeerd voor schoolpopulatie & hoeveelheid en kwaliteit
leerkrachten = schooleffectiviteit; indicator voor docenten en besturen
- Overheid (als bewaker van het algemeen belang): handhaving gelijk
minimumniveau bij diploma over scholen en door de tijd, maar
gecorrigeerd voor financiële input = systeemefficiëntie; indicator voor
overheden.
|
|
10
|
- Inspectie dient maar één heer: direct ouders & leerlingen en
daardoor indirect overheid.
- Inspectie waarschuwt rechtstreeks ouders als school onder publiek
minimum scoort: te lage absolute Cito-toets (of te weinig deelnemende
leerlingen) of te lage centrale eindexamencijfers.
- Publiceert haar al haar gegevens en rapporten op school en locatieniveau
op internet, en rapporteert die direct aan ouders, overheden en media.
|
|
11
|
- Inspectie maakt geen ranglijsten (Netelenbos-erfenis), alleen lijsten
van zwakke en slechte scholen en handelt op grond van die lijsten.
- Inspectie heeft het recht een school te sluiten of examenlicentie te
ontnemen zonder tussenkomst van OC&W, maar uitsluitend op grond van
scoren onder publiek minimum. Geen lang “verbetertraject”: kinderen
kunnen hun school niet “overdoen” in dat verbetertraject.
- Inspectie bewaakt het niveau van de school- & de centrale examens
& de CITO toets, zowel tussen scholen als over de tijd. Maar de
inspectie gaat niet over het “hoe” van scholen.
- Centrale rekenkamer & wetenschappelijke instituten: relatie
resultaten – geld.
|
|
12
|
- Kranten (Trouw, Elsevier) en onderwijsbladen (Onderwijsblad,
Pedagogische Studiën) maken zelf ranglijsten van scholen.
- Verschillende varianten van effectiviteit / toegevoegde waarde &
efficiëntie van scholen: mogelijkheden voor concurrerende aanpak door
media (met en zonder toegevoegde waarde) en verschillende indicatoren
(examenresultaten, snelheid, tevredenheid).
|
|
13
|
- Internationale onderwijsstelsels vergelijkingen sinds jaren ’60: Torsen
Husén; IEA; TIMSS; CIVED; PRILS; Tjeerd Plomp.
- Wisselende participatie van Nederland.
- Internationale vergelijkingen kregen politiek gewicht toen OECD in 2001
met PISA kwam.
- PISA meet mate van probleem oplossen, TIMMS geleerde kennis in
onderwijs.
- PISA 2000, 2003, 2006 (15-jarigen) met taal, rekenen en
natuurwetenschappen in alle OECD landen.
- Diploma’s zijn onbruikbaar om internationaal onderwijsprestaties te
vergelijken: inhoud en niveau van diploma verschilt te veel tussen OECD
landen.
|
|
14
|
- Dwarsdoorsnede op 15-jaar. Longitudinale data is onbetaalbaar en
onuitvoerbaar.
- Politieke invloed op dataverzameling en beschikbaarstelling. Frankrijk:
sinds 2003 geen schoolkenmerken; Australië & Canada: geen
onderscheid openbaar/bijzondere scholen; Duitsland: geen onderscheid
naar Länder & ontoegankelijkheid PISA plus-steekproef; Nederland,
USA, Zweden, etc: geen geboorteland leerlingen en ouders; gezinsvorm
(eenoudergezin) is verdwenen sinds PISA 2006.
- Onvoldoende wetenschappelijk toezicht op dataverzameling, bv alleen
OC&W zonder overleg met wetenschappers.
- Politiek-correcte OECD rapporten, bv “Where immigrants succeed. Pisa
2003”: geen herkomstlandanalyse, verbod op analyse relatie beleid en
onderwijsuitkomsten.
- Liegen met PISA data door bewindslieden, Netelenbos & Ritzen
(Nederland scoort goed dankzij ons beleid), van der Hoeven (Nederlandse
immigrantenleerlingen doen het goed), de cie. Dijsselbloem (PISA data
zeggen weinig over de kwaliteit van Nederlands onderwijs).
|
|
15
|
- De PISA scores komen tot stand door bedrog. Maar: bedriegen Finnen beter dan Italianen?
Vergelijkbaar bedrogniveau.
- De uitkomsten voor taal zijn heel anders dan voor wiskunde. Maar: grote
gezamenlijke variantie van de drie domeinen, en steeds vergelijkbare
indicatoren voor kwaliteit.
- De hoge scores van Aziatische landen komt door hun autoritair onderwijsstelsel.
Maar: Chinezen en Indiërs scoren ook hoog buiten Azië.
- De uitkomstverschillen tussen landen komen door de immigranten. Maar: te
klein % immigranten kinderen en te grote verschillen tussen immigranten
uit verschillende herkomstlanden.
|
|
16
|
- Nederlands onderwijs heeft binnen Europa hoge plaatsen zowel in PISA als
in TIMSS
- Geringe verschillen tussen scholen van het zelfde type in hun toerusting
en resultaatvereisten
- Twee feitelijke centrale eindexamens: CITO toets basisonderwijs;
centraal eindexamen
- Gematigde concurrentie om leerlingen, zonder grote financiële
verschillen tussen scholen
- Geen afroming door privaatonderwijs, waardoor geringere verschillen in
schoolcompositie tussen scholen van het zelfde type.
|
|
17
|
- Vergelijking met behulp van PISA data van het Nederlandse voortgezet
onderwijs met die van de buurlanden: Duitse deelstaten, Vlaanderen,
Wallonië, Duitstalige Zwitserse kantons, Oostenrijk, Schotland,
Denemarken & Zweden.
- Welke school- en onderwijsstelselkenmerken (onder controle van SES, etc)
verklaren relatieve Nederlandse positie het best?
- Het gaat niet alleen om het gemiddelde scores, maar ook om de spreiding
(de lagere scores van de “top” leerlingen, en de hogere scores van de “bodem”
leerlingen, vgl. CPB rapport).
- Een afzonderlijke analyse voor de “inboorlingen” en immigranten
(uitgesplitst naar herkomstland).
- Verklaringen van Nederlandse positie op deze afhankelijke variabelen
mogen niet strijdig zijn.
|
|
18
|
- Onderwijsprestaties in onderwijsstelsels met middenschool, interne
differentiatie of stratificatie, waarbij rekening wordt gehouden met
schoolpopulatie en sociaal milieu (Dunne, 2010)
- Onderwijsprestaties van immigranten leerlingen, waarbij rekening wordt
gehouden met (onderwijs)kenmerken van herkomst- en bestemmingslanden en
sociaal milieu van de leerlingen (Heus, Dronkers & Levels, 2009).
|
|
19
|
- 500 = OECD gemiddelde op test voor taal, wiskunde of wetenschap; 100 =
standaard deviatie; -13 = Nederland-Finland; - 32 = Nederland-HongKong;
26 = Nederland-Duitsland
- Onderwijsstelsel: sterk gestratificeerd (Nederland, Duitsland), gematigd
gestratificeerd of interne differentiatie (België; USA), middenschool
(Scandinavië).
- Sociaal milieu: combinatie van beroep en opleiding van de ouders &
cultureel kapitaal in huishouden
- Schoolpopulatie: gemiddelde van het sociaal milieu van de ouders van de
leerlingen op een school
- Land van herkomst: lengte van leerplicht
- Immigrant generatie: 2, 1.75, 1.5, 1.25
|
|
20
|
- Onderwijsprestaties in onderwijsstelsels met middenschool-, interne
differentiatie of stratificatie, waarbij rekening wordt gehouden met
schoolpopulatie en sociaal milieu (Dunne, 2010)
|
|
21
|
|
|
22
|
|
|
23
|
|
|
24
|
|
|
25
|
- Kemenade (PvdA): gelijk dat middenschoolstelsel minder ongelijke
onderwijskansen geeft, maar ongelijk dat dit stelsel het kennisniveau
van de bovenkant niet aantast en dat het effect van ouderlijk milieu
sterker is op categoriale scholen.
- Someren-Downer (VVD): gelijk dat het midden-schoolstelsel
“socialistische eenheidsworst” product, maar ongelijk met miskenning van
voordeel middenschool voor matige middenklasleerlingen.
- Marcus Bakker (CPN): gelijk dat middenschool-stelsel arbeiderskinderen
het voordeel van gymnasium ontzegt, maar ongelijk omdat het merendeel
van de arbeiderskinderen wegens hun te lage schoolprestaties niet tot
het gymnasium toegelaten kunnen worden.
|
|
26
|
- Emancipatie kwaliteit van middenschool-onderwijsstelsel & lage
emancipatie kwaliteit van gestratificeerd onderwijsstelsel.
- Bodem kwaliteit van middenschoolonderwijsstelsel.
- Scholen binnen het middenschool- en interne
differentiatie-onderwijsstelsel hebben een geringere emancipatie
kwaliteit dan vergelijkbare scholen binnen het gestratificeerd
onderwijsstelsel.
- Top kwaliteit van gestratificeerd onderwijsstelsel, ook voor kinderen
van laaggeschoolde ouders
|
|
27
|
- Onderwijsprestaties van immigranten leerlingen, waarbij rekening wordt
gehouden met (onderwijs)kenmerken van herkomst- en bestemmingslanden en
sociaal milieu van de leerlingen (Heus, Dronkers & Levels, 2009;
Heus & Dronkers, 2009)
|
|
28
|
|
|
29
|
|
|
30
|
|
|
31
|
- Drie mogelijke verklaringen van het Islam effect:
- Meer discriminatie van Moslims of een grotere gevoeligheid daarvoor;
- Negatieve selectie van gast-arbeiders; verklaring wordt niet gesteund
door negatieve interactie Islam*ouderlijke opleiding;
- Islamitische religieuze waarden (eer; man-vrouw verhoudingen) zijn
gedeeltelijk in strijd met succes in moderne samenlevingen.
- Mogelijke verklaringen van het effect van oosterse religie:
- Grotere waarde toegekend aan en inzet voor onderwijs.
- Neuro-psychologische voordelen van de Chinese taal (het leren van
karakters) en getallen
|
|
32
|
- Integratie kwaliteit van gematigd gestratificeerd of interne
differentiatie onderwijsstelsel.
- Integratie kwaliteit van middenschool-stelsel voor kinderen van
hooggeschoolde immigranten, niet voor kinderen van laaggeschoolde
immigranten.
- Integratie kwaliteit van leerplicht.
- Verschil tussen inboorlingen en immigranten wat betreft oorzaak
onderwijsachterstand en betekenis van onderwijsstelsels daarbij.
|
|
33
|
- Schoolloopbanen (vanaf eind ’60),
basis (Prima, etc), voortgezet (VOCL, etc)
- Beroepsloopbanen van schoolverlaters (vanaf eind ’70): SIS
(Schoolverlaters InformatieSysteem): WO-, HBO-, BVE- en VO-Monitor van
schoolverlaters
- Levenslopen, gebaseerd op oude data en opnieuw opgezocht (Noord-Brabant
cohort; Enschede cohort; VOCL leerlingen op de arbeidsmarkt)
- Medische quasi-geboortecohorten (Trials)
- Periodieke Peiling Onderwijs Nederland
|
|
34
|
- Externe kwaliteit & politieke kwaliteit van opleidingen
- Afronding van opleiding
- Succes in vervolgopleiding
- Overgang naar arbeidsmarkt
- Lange termijn succes op arbeidsmarkt
- Trouw- & scheidingskansen
- Gezondheid
|
|
35
|
- Breuken bij overgangen (basis-voortgezet; voortgezet-tertiair;
onderwijs-arbeidsmarkt) waardoor minder bruikbaar.
- Verlies van drop-outs en verhuizers, waardoor foutieve uitkomsten:
onderwijsnummer.
- Niet meer relevant na veranderingen in beleid.
- Scholen meestal niet bij name traceerbaar (belemmert kracht van de
analyse).
- Vaak geen goede controle groepen voor analyse van school- en
onderwijssysteem-effecten.
- Angst bij onderzoekers voor financieerders en opdrachtgevers &
medewerking van scholen.
- Weinig binnenlands gebruikt om kwaliteit van Nederlands onderwijs te
meten, uitzondering van der Werf.
|
|
36
|
- Hoge interne kwaliteit, als gevolg van onderwijspacificatie van 1917-’20
(gelijkwaardige scholen, onderlinge concurrentie), de tussenstap van
Mulo/MAVO/HAVO & Mammoetwet (cito-toets; scholengemeenschappen).
- Lage emancipatie kwaliteit, als gevolg van sterk gestratificeerd
onderwijs, afschaf opstroom-mogelijkheden), behalve voor laag milieu
leerlingen in havo&vwo.
- Lage integratie kwaliteit, als gevolg van sterk gestratificeerd
onderwijs, meest voor hoog milieu leerlingen.
|